Afbeelding

Duivenmelker Jan Morsink en de Marokkaanse prins

Sport en vrije tijd

MARLE - Een afspraak met Jan is snel gemaakt. “ik bin al twaalf joar biej huus, wanneer past het” Het eerste deel van het gesprek gaat over graaiende bankiers, het vertikken van het betalen van negatieve rente op spaargelden, over in zijn ogen foute politici doelend op grijs bebaarde kabouter Plop. Het tweede deel over zijn werkzame voorland. Bij de derde bak koffie gaat we praten over zijn passie voor de duivensport. “Ik ben een recalcitrant type en wil gewoon altijd winnen.” Een gesprek in de mancave van Jan Morsink (60).

Jan woont te midden van weilanden en een eigen bosperceel waar ’s avonds de reetjes tevoorschijn komen. Tussen de woonboerderij en het bos klopt het hart van de uit de hand gelopen, bijna bedrijfsmatige passie voor de duivensport. “Mijn grootvader en mijn eigen vader hielden al duiven. Je kent het wel: van die gammele hokken, benauwd, slechte ventilatie, alles met plankjes en latjes aan elkaar getimmerd, het mocht immers niet wat kosten. Ik ploos toen ik een jaar of negen was de duivenkrantjes uit om te zien wiens duiven het best presteerden tijdens een wedvlucht. Dan stapte ik op die mensen af en vroeg of ik een paar van die duiven kon kopen. Mijn eerste duiven kocht ik voor vijftig gulden. Ik had natuurlijk geen geld en bracht op naam van mijn zus de Tubantia, die toen nog avondkrant was, rond. Later kwam daar de Telegraaf om vijf uur ’s ochtends bij.”

Ik speurde al toen ik een jaar of negen was de duivenkrantjes af”

Jan komt uit een groot gezin. Mijn vader werd geboren toen zijn moeder drieënvijftig was. “Hij was een nakomeling kun je wel zeggen en was gek gezegd een verwend kearltie. Mijn vader handelde met kolen, turf en andere brandstoffen. We woonden toentertijd aan de Wierdenseweg, ongeveer daar waar nu de Gamma is gevestigd. Pa tekende voor vijf jaar om in het leger te dienen en werd uitgezonden naar Suriname, ontmoette daar mijn moeder die werkzaam was in het militaire café. Ma kwam uit Limburg, net als mijn ouders rooms katholiek. De lagere school volgde ik aan de Anthoniusschool, daarna naar de LTS op Nijverdal. Ik volgde daar de opleiding autotechniek. Maar ik had vooral veel discussies met de leraren die me kennis wilde bijbrengen. Ik zag het allemaal anders. Ik leerde er gewoon niks – ja ik ben wel een beetje recalcitrant. Ik stopte met de school en werd glazenwasser. Heb dat één jaar volgehouden en ben toen maar op mijn zeventiende vervroegd in militaire dienst gegaan. Ik werd ingedeeld in Schalkhaar, bij de technische dienst. Na diensttijd ben ik nog één jaar plaatwerker geweest bij de Roba in Rijssen”.

Snotterkuukn

Op dat moment was er een vacature bij L. Verschoor Verf te Nijverdal. Mijn werkzaamheden bestonden uit het uitrijden van bestellingen. Later kreeg ik de kans om kleurmaker te worden, recepten maken dus. Ik hielp mee in de winkel en werkte me uiteindelijk op tot vertegenwoordiger in autolakken. Als ik dan op pad was geweest en terugkwam, vroeg de oude Lodewijk Verschoor waar ik die dag geweest was en of ik dan nog wat verkocht had. Meestal volgde er dan een scheldkanonnade van – wat moest je dáár nu doen? Die kopen nooit wat bij ons. Maar bij die prospects hoorde ik – die Verschoor komt hier nooit meer binnen. Ik heb er veel van geleerd. Toen het al te gortig was, vertelde ik Verschoor dat ik weg zou gaan. Daar werd ie vanzelf behoorlijk tam van. Je moet het zo zien; het verkopen van verf in de winkel is niet zo moeilijk want een potentiële klant wil op dat moment verf bij je kopen. Maar prospecting is wat anders. Niemand zit op dát moment op jou te wachten omdat jij wat wil verkopen. Dat begreep die beste man niet helemaal. Later kreeg ik de kans om het bedrijf voor de helft te kopen, de andere helft zou zoonlief op zich nemen. Maar die haakte af. Ik zeg – dan koop ik alles, ja of nee. Maar dát wilde senior niet. Ik bleef in zijn ogen een ‘Snotterkuukn’. Ik vertelde hem dat ik dan voor mezelf zou beginnen. “met verf ” vroeg hij me nog. Nou ja, dat lag wel voor de hand zei ik. Toen dreigde hij me met het concurrentiebeding. Uiteindelijk is dat allemaal wel losgelopen en nam in 2000 Color Up over in Rijssen. Dat is een aanbieder van autolakken. Kijk, je moet het zo zien; autolak is grosso modo autolak. Daar zit niet zo’n groot verschil in. Het gaat om het verhaal erbij, de kennis en kunde. Ik heb me gemeld bij een tweetal grote autolakfabrikanten, ICI en Sikkens om het dealerschap van hun verf te krijgen. Dat lukte. Verder realiseerde ik een eigen trainingscentrum, waar we demonstraties gaven op complete auto’s. De cursisten konden zelf ook spuiten, werden ’s middags met cafetaria producten en broodjes in de watten gelegd en ’s avonds een potje bier in ons theorielokaal/annex caféruimte. Wat denk je waar die mensen de verf bestellen? Ik wil gewoon altijd winnen en dat lukt me ook.”

We naderen deel drie van ons gesprek. De duivensport. Ook dáár wil Jan winnen. Wat is nu het geheim van de smid?

“Goede duiven hebben en doorselecteren. Eigenlijk is duivensport een selectiesport. Steeds maar weer de beste doffer en duivin bij elkaar zien te krijgen. Maar ook compensatiekweek. Een duif met een dikke rug kruisen met een smalle rug. Rode ogen met donkere ogen. Het voor elkaar zien te krijgen dat de spieren soepel blijven en toch goed gepluimd. En ja, dan de kunstmatiger manier om de drive, de wil in de duif te beïnvloeden. Een duif moet zich géven en soms helpen we een handje. We halen de doffer weg bij het duivenkoppel en die gaat mee op de vlucht. Logisch dat die duif zo snel mogelijk weer terug wil. Een stap verder is het weghalen van de doffer en de doffer laten zien dat er een ándere doffer bij zijn duivinne gedaan wordt. Dat noemen we het jaloezie spel. Een duif die eitjes gelegd heeft en het tikken van de jonge duif in het eitje hoort, wil natuurlijk ook zo snel mogelijk naar het nest. We pakken dan wel eens een plastic eitje, prikken daar een gaatje in en stoppen er een brommerd (dikke bromvlieg) in. Die maakt zo ongeveer hetzelfde geluid als een écht tikkend eitje.”

Het gilde van de duivenmelkers vergrijst. Over tien jaar houdt niemand meer duiven. Eens?

“Nou nee, het blijft, wij hebben nog een relatief jonge club. De teruggang komt vooral doordat mensen krapper gaan wonen en er geen ruimte is voor een fatsoenlijk duivenhok. Maar het blijft. Je zult wel zien dat het aantal duivenclubs gaat afnemen. Dat kán ook omdat het ouderwetse draaien van de klok allang achter ons ligt. Dat gaat nu allemaal electronisch. Dat kun je dus ook op één punt in Twente laten samenkomen. Ik denk zelfs dat de duivensport misschien wel gaat toenemen. Reden is dat, mits je de goede duiven hebt, relatief snel een jonge duif kunt trainen. Er gaat één seizoen overheen en dan kunnen de jonge duiven mee op de vlucht. Hou je bijvoorbeeld paarden en fok je daar mee, dan is de cyclus vele malen langer.”

Je duurste inkoopprijs van een duif ?

“Vijftigduizend euro.”

Je duurste verkoopprijs ?

“Pas, andere vraag.”

Wat is dat nu ?

“Daar heeft nu niemand wat mee te maken. Het is mijn hobby en er wordt op elkaar gelet. Snap je?”

Typeer het duivenpubliek eens

“Daar is niks zinnigs over te zeggen. In Westerhaar bijvoorbeeld zitten de meeste duivenmelkers. De mensen hebben daar veel meer ruimte om de huizen, dus kun je daar makkelijker een hok plaatsen. Maar ik heb ook eens een korf duiven verkocht aan de prins van het Marokkaanse Koningshuis. Ik moest de duiven afleveren in de Euromast in Rotterdam. De hele Euromast was afgehuurd, geen publiek, wegen omstandigheden gesloten zeg maar. Wij naar boven, allemaal zware beveiliging met wapens der op en der aan. We hebben even met hem gepraat en de duiven afgeleverd. Nou, typeer jij dan maar het duivenpubliek.”

Gerard Voortman

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding