
Familieleden van de adder en een nepslang
ColumnsIn Nederland komen slechts drie soorten slangen voor. Van deze zogenaamde inheemse soorten is de adder de meest giftige en de minst schuwe. Een paar columns geleden heb ik daarover al uitvoerig geschreven. Nu zijn z’n (verre) familieleden, de ringslag en de gladde slang aan de beurt.
Er wordt beweerd dat deze slangen niet giftig zijn. Dat klopt niet helemaal. De eerste beet van deze slangen is voor mensen niet gevaarlijk. Hun tanden staan naar achteren gericht. Ze bijten niet van zich af maar naar juist naar zich toe. De prooi wordt door de stand van de tanden naar binnen geschoven. De achterste tanden zijn wel voorzien van gifklieren en komen pas in werking als de prooi al voor het grootste deel in de bek is verdwenen. Het gif dient vooral voor de bevordering van de spijsvertering.
De ringslag dankt zijn naam aan de heldere gele ringvlek bij de kop. Ze kunnen wel meer dan een meter lang worden en zijn de meest voorkomende reptielen in het grootste deel van Europa. Ze houden net als adders van water, maar zijn wat schuwer. De mannetjes vervellen twee keer per jaar en de vrouwtjes zijn meer modebewust. Zij vervellen drie keer per jaar. Het vrouwtje legt eieren op een beschutte relatief warme plek. De jongen kruipen uit het ei en zijn meteen zelfstandig. Gelet op de tijd dat ze geboren worden, is een winterslaap hun eerste grote daad. Adders en ringslangen leven in ongeveer hetzelfde gebied, dus ook bij ons in de Engbertsdijksvenen. Ze zoeken nagenoeg dezelfde prooidieren en hebben ook dezelfde vijanden.
De gladde slang houdt juist niet van water. Hij zoekt het hogerop. Vooral de Veluwe is zijn leefgebied. Je treft hem dan zeer zelden aan de rand van veengebieden. Van de drie inheemse slangensoorten is hij de kleinste (ca. 75 cm) en meest schuwe. Hij is egaal bruin of grijsbruin van kleur en heeft zoals zijn naam al zegt gladde schubben. Net als de adder is hij eierlevendbarend. De jonge slangen komen in de baarmoeder al uit het ei. Broedzorg kent de gladde slang niet. De jongen moeten direct op eigen poten staan. Wel lastig als je die niet hebt.
Dan is er nog de hazelworm (zie afbeelding), de zielenpoot onder de reptielen. Het is een hagedis zonder poten en kan ca. 45 centimeter lang worden, waarvan meer dan de helft uit zijn staart bestaat. Hij is stijver dan een slang en heeft geen opening in zijn bek waardoor hij zijn tong kan steken. In het veengebied is hij zeer zeldzaam. Hij houdt meer van zandgronden net als de gladde slang. Zijn verspreidingsgebied in Europa is zeer groot, Door zijn schuwe karakter is hij zeer honkvast. Verder beschikt hij als echte hagedis over het vermogen van caudale autotomie en wat dat betekent mag u zelf op Wikipedia zoeken. Daar maak ik ook voor een deel gebruik van. Deze “nepslang” wordt beschouwd als zeer nuttig. Naaktslakken staan op zijn dagelijkse menu en dat komt dit seizoen goed uit.
Slangen en hazelwormen vind je niet in Ierland. De zee tussen Engeland en het vaste land van Europa is lang geleden ooit drooggevallen, maar de Ierse zee niet. Dit bleek een onneembare hindernis. Ierland kent daarentegen wel een grote populatie tuinslangen.
Alfred Roelofs









